Geplaatst op: 01 jan, 1998

Na het Bosman-arrest dreigde er in 1999 voor het betaald voetbal een nieuwe ramp. Per 1 januari 1999 werd de Flexwet in het leven geroepen. De wet had tot gevolg dat spelers met een verlengd dienstverband van minimaal drie jaar met een opzegtermijn van een maand zonder afkoopsom mochten vertrekken. Enkel een CAO zou uitkomst bieden. De onderhandelingen over zo’n CAO tussen de VVCS en de FBO liepen echter volledig vast. Het is geen toeval dat juist in deze periode onder de vleugels van De Unie, een nieuwe spelersvakbond – ProProf – in het leven werd geroepen. De tweede vakbond van profspelers, werd opgericht door Kees Ploegsma, Henk van Ginkel en Rob Jansen. De oprichting van ProProf zorgde uiteindelijk voor een doorbraak in de onderhandelingen. De nieuwe (benodigde) CAO was geboren. In dezelfde periode werd ook een CAO met de CBV (Coaches Betaald Voetbal) overeengekomen.

Inmiddels was de FBO zelf onder vuur komen te liggen. Het bestaansrecht van de FBO dreigde door de komst van de ENV en de CED ondergraven te worden. Voorzitter Frans Derks van de CED vroeg zich menigmaal hardop af of de FBO in de nieuwe constellatie nog wel bestaansrecht had: veel te duur, want voor een CAO kon de VVCS toch ook om tafel met ondernemingsorganisatie VNO-NCW? En ook de KNVB zag de FBO op dat moment liever verdwijnen.

In 2002 verliet Gerard Slager de FBO na een dienstverband van 25 jaar. De opvolging van Slager wordt in eerste instantie intern opgelost.

Terwijl de ENV en de CED hun zeggenschap aanzienlijk vergrootten, ging de FBO gebukt onder het gebrek aan erkenning. De omstandigheden hadden de FBO gedreven in de hoek van het zijn van een puur arbeidsrechtelijk instituut. De FBO kende maar één jurist – Serge Rossmeisl – en voor zaken als sponsoring, transferbeleid en andere zaken huurden clubs externe partijen in. Dit, terwijl het merendeel van de clubs inmiddels in aanzienlijke financiële problemen was gekomen. Een aantal clubs dreigde inmiddels zelfs het lidmaatschap met de FBO op te zeggen.

Juist in die periode deed ook de internationale wet-en regelgeving zijn intrede; kwesties als staatsteun, Flexwet, Bosman-arrest, Mededingingswet, een nieuw transferstelsel van de FIFA en de ‘buitenlander-regel’, waren sprekende voorbeelden van Europese ‘inmenging’. De FBO onderkende deze tendens door de oprichting van een tegenhanger van de FIFPRO, de EFFC. Deze Europese organisatie voor ‘FBO-achtige’-organisaties moest een tegenhanger gaan vormen van de FIFPRO en op Europees niveau de onderhandelingen aan gaan. De EFFC redde het uiteindelijk niet, maar het werkte wel als katalysator voor de oprichting van een andere Europese organisatie; de European Professional Football Leagues (EPFL).

In 2003 bleek inmiddels dat de ENV de clubs meer had gekost, dan had opgeleverd. In 2004 deed de werkgroep Future (opgericht door de clubs zelf) echter een geslaagde reddingspoging. De ENV veranderde in de Eredivisie CV en met de komst van een paar rasechte marketeers (Alex Tielbeke en Chris Woerts) werd de ECV nieuw leven ingeblazen. Het bleek de voorbode van meer veranderingen.

Aan het gekrakeel tussen de FBO, KNVB, ECV en CED moest nu maar eens een eind komen. Het FBO-bestuur onder leiding van voorzitter Louis Castelijns stapte op. De leden van de FBO zorgden voor drie interim-bestuurders; Theo Hoex, Jan Gerrits en Martin Sturkenboom. Dit nieuwe bestuur had als opdracht van de clubs om rigoureuze wijzigingen door te voeren. De eerste wijziging betrof de vervanging van het management door een directeur. Mark Boetekees, tot dan toe hoofd van juridische afdeling van de KNVB, werd de nieuwe directeur van de FBO. Hij diende de FBO na drie woelige jaren weer in rustiger vaarwater te brengen.

Met de komst van Boetekees werden er meteen andere besluiten genomen. De FBO verliet na 11 jaar het Witte Huis in Rotterdam teneinde tezamen met de ECV en CED in 2006 haar intrede te doen in een nieuw onderkomen in Maarsbergen. Daarmee zou meteen een andere wens van de clubs, een nauwere samenwerking tussen deze drie partijen bewerkstelligd worden.

Met een nieuw beleidsplan werden ook de nieuwe kerntaken van de FBO zichtbaar; belangenbehartiging, advisering en informatievoorziening op juridische en P&O-zaken, werden de nieuwe pijlers onder het fundament van de FBO. Daarnaast ging de FBO voor een bredere individuele ondersteuning van clubs; ook op het gebied van sponsorovereenkomsten, transfers en tuchtzaken moesten clubs bij de FBO te rade kunnen gaan. Daarnaast werd de FBO ook de juridische ondersteuner voor de ECV en CED. Ook de strijdbijl met de VVCS werd begraven. De nieuwe CAO-onderhandelingen bleken daar een bewijs van. De FBO nieuwe stijl was geboren.

Ook het personeelsbestand van de FBO werd gewijzigd. Van de ‘oude’ FBO vertrokken alleen Serge Rossmeisl als jurist en Rianne Toussaint als P&O-functionaris mee naar Maarsbergen. Uiteindelijk vertrok Rianne Toussaint alsnog en werd zij opgevolgd door Andrea Timmerman. Daarnaast werd de ‘juridische afdeling’ vergroot. Wouter van Zetten werd aangetrokken als extra jurist, waardoor de FBO – inclusief Mark Boetekees – opeens drie juristen bezat. Als directiesecretaresse maakte Simone van den Bos het nieuwe team compleet.