
Gevolgen nieuwe Wet DBA
In verband met nieuwe wetgeving met betrekking tot het inhuren van zelfstandigen (ZZP-ers) en het vervallen van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR), welke per 1 mei a.s. van kracht gaat, heeft de FBO in samenwerking met de KNVB de gevolgen van de onderhavige wetgeving voor clubs in kaart gebracht. In deze VoetbalFocus zal hier nadere op worden ingegaan.
VAR-verklaring
Op dit moment biedt de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) bij het gebruik van overeenkomsten van opdracht voor het inhuren van zelfstandigen (ZZP-ers), bijvoorbeeld ingeval van overeenkomsten met trainers, scouts of commerciële krachten, een vrijwaring voor het afdragen van (loon)heffingen en premies. Hierdoor is de kans op het bestaan van een arbeidsovereenkomst beperkt. Zolang een geldige VAR van toepassing is, levert de overeenkomst van opdracht een beperkt risico op. Per 1 mei a.s. wordt de VAR echter afgeschaft. Hiervoor treedt in de plaats de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA). Deze wijziging brengt voor opdrachtgevers (en dus betaaldvoetbalorganisaties) diverse risico’s met zich. Op grond van de Wet DBA is de Belastingdienst met ingang van 1 mei a.s. bevoegd om de relatie tussen de opdrachtnemer en opdrachtgever telkens te toetsen om de zogeheten ‘schijnzelfstandigen’ te weren. De Belastingdienst toetst dan of de aangegane overeenkomst van opdracht een zuivere overeenkomst van opdracht is. Deze toetsing kan zowel gedurende als aan het einde van de opdrachtrelatie plaatsvinden.
Risico’s
Indien de Belastingdienst oordeelt dat geen sprake is van een zuivere overeenkomst van opdracht, dan wordt de opdrachtgever geconfronteerd met de verplichting om (loon)heffingen en premies af te dragen. Eventueel met terugwerkende kracht. Tevens kan de Belastingdienst aan de opdrachtgever (hoge) geldboetes opleggen voor het niet (actief) afdragen van de (loon)heffingen en premies.
‘Naast fiscale gevolgen kunnen ook arbeidsrechtelijke gevolgen van toepassing zijn, waardoor de opdrachtgever (in dat geval de werkgever) geconfronteerd kan worden met betaling van minimumloon, ontslagbescherming, de ketenbepaling, transitievergoeding, vakantiedagen, loondoorbetaling bij ziekte, etc.‘
Met de invoering van de Wet DBA komen zowel de fiscale als arbeidsrechtelijke gevolgen per 1 mei a.s. aldus voor rekening van de opdrachtgever. Door de nieuwe wet verschuift de aansprakelijkheid van opdrachtnemer naar opdrachtgever indien achteraf toch blijkt dat de opdrachtnemer (uit fiscaal oogpunt) in loondienst heeft gewerkt. Wanneer geen sprake van zuivere overeenkomst van opdracht?
Volgens de nieuwe wetgeving is er bijvoorbeeld geen zuivere overeenkomst van opdracht indien er aantoonbaar sprake is van een gezagsverhouding of persoonlijke arbeid. Ten aanzien van de gezagsverhouding lijkt dit in de praktijk te betekenen dat er geen beoordelingsgesprekken gevoerd mogen worden, geen instructies mogen worden gegeven en geen middelen ter beschikking mogen worden gesteld zoals een telefoon, laptop, e.d. Ten aanzien van de persoonlijke arbeid dient men voortaan vooraf akkoord te gaan met het vrijelijk laten vervangen van de opdrachtnemer (in dat geval moet het dus niet uitmaken wie de opdracht uitvoert). Modelovereenkomsten
Om de fiscale risico’s zoveel mogelijk te beperken hebben opdrachtgevers en opdrachtnemers per 1 mei a.s. de mogelijkheid om te werken met modelovereenkomsten. Deze modelovereenkomsten (zie bijlage), die beschikbaar zijn via de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl), bieden clubs als opdrachtgever en de opdrachtnemer (ZZP-er), in geval van twijfel over de arbeidsrelatie tussen partijen, meer zekerheid omtrent de loonheffing. Indien u als opdrachtgever gebruik maakt van een van deze modelovereenkomsten en dit overeenkomt met de uitvoering in de praktijk, hebben opdrachtgever en opdrachtnemer zekerheid dat de opdrachtnemer buiten loondienst werkt.
Eigen model
Een andere optie voor opdrachtgevers en opdrachtnemers is hun overeenkomst van opdracht vooraf ter toetsing voor te leggen aan de Belastingdienst. Een door de Belastingdienst goedgekeurde overeenkomst van opdracht geeft de opdrachtgever in beginsel de zekerheid dat hij voor de opdrachtnemer geen (loon)heffingen en premies hoeft in te houden.
Het is van belang op te merken dat indien in de praktijk niet overeenkomstig een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst wordt gewerkt, de Belastingdienst alsnog kan oordelen dat (loon)heffingen en premies verschuldigd zijn. In dat geval is het risico op het bestaan van een arbeidsovereenkomst eveneens vergroot. Als opdrachtgever zal de desbetreffende club dan ook gedurende de overeenkomst van opdracht telkens moeten toetsen of de inhoud van deze overeenkomst nog steeds van toepassing is en overeenkomt met de praktijk.
Overgangsjaar
Hoewel de Wet DBA per 1 mei a.s. ingaat, krijgen opdrachtgever en opdrachtnemer tot 1 mei 2017 de tijd om hun werkwijze aan te passen. Gedurende dit jaar geldt voor partijen wel een inspanningsverplichting welke er op neerkomt dat opdrachtgever en opdrachtnemer moeten kunnen aantonen dat zij actief bezig zijn de samenwerking conform de nieuwe wetgeving vorm te geven. Zo zal de Belastingdienst weliswaar pas per 1 mei 2017 (proactief) gaan toetsen en handhaven, maar indien opdrachtgever en opdrachtnemer op 1 mei 2017 niet op juiste wijze vorm geven aan de opdrachtrelatie, kan de Belastingdienst per 1 mei 2017 met terugwerkende kracht tot 1 mei 2016 (na)heffingsaanslagen en/of geldboetes opleggen. Dit geldt voor overeenkomsten van opdracht die in de periode 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 al bestonden en na 1 mei 2017 nog doorlopen.
Sectormodelovereenkomst
De FBO is voornemens om een standaardmodel te redigeren dat door clubs gebruikt kan worden, waarbij twee versies zullen worden gehanteerd. Een versie waarbij ‘persoonlijke arbeid’ ontbreekt en een versie waarbij ‘werkgeversgezag’ ontbreekt. Deze versies zullen eerst nog ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Belastingdienst.
Tot slot
De gevolgen van het gebruik van een overeenkomst van opdracht zijn door het vervallen van de VAR thans onzeker. De FBO adviseert clubs dan ook om het aangaan van een overeenkomst van opdracht per 1 mei 2016 te beperken tot die gevallen waarin ook daadwerkelijk in de praktijk sprake is van een overeenkomst van opdracht en waarbij dit ook daadwerkelijk kan worden gewaarborgd. De FBO is voornemens om op korte termijn een bijeenkomst te organiseren waarin nader op de nieuwe wetgeving zal worden ingegaan. Indien u als club in d tussentijd vragen heeft, aarzelt u dan niet om rechtstreeks contact met de FBO op te nemen.